Door de snelle toename van Oost-Europeanen die zich permanent in Nederland willen vestigen, kan de betaalbaarheid van onze sociale zekerheid in gevaar komen. Deze stelling staat centraal in een discussienotitie die ik heb opgesteld over het thema arbeidsmigratie en sociale zekerheid (te vinden op www.eddyvanhijum.nl).
Al begin deze zomer heb ik er samen met de PvdA en met de oppositiepartijen VVD en SP, voor gepleit om de rechten van arbeidsmigranten op een uitkering te beperken. Wanneer zij in de eerste vijf jaar van hun verblijf een aanvraag voor bijstand doen, moet hun verblijfsrecht worden beëindigd. Veel Oost-Europeanen zijn laag opgeleid, spreken geen Nederlands en hebben een slechte positie op de arbeidsmarkt. Zij zouden niet zonder meer direct een beroep moeten kunnen doen op een uitkering.
Aan de rechten op sociale verzekeringen (WW, arbeidsongeschiktheid, AOW) willen we als CDA niet tornen. Hiervoor bouw je als werknemer rechten op, die je ook moet kunnen meenemen als je ergens anders gaat werken. Maar dat geldt niet voor voorzieningen als bijstand en kinderbijslag, die uit de algemene belastingen worden betaald. Daarom pleit ik er voor om op Europees niveau afspraken te maken over tegemoetkomingen voor gezinnen in de kosten van kinderen. Op dit moment krijgt een in Nederland werkende Pool of Spanjaard een aanvulling op de kinderbijslag tot Nederlands niveau voor zijn kinderen, ook als die nog in het land van herkomst wonen. Dit is vreemd; er bestaat immers geen relatie tussen de vergoeding en de reële kosten die voor kinderen worden gemaakt.
Gisteren en vandaag was het 'Make a difference day', ofwel MADD 2008. Om het grote belang van vrijwilligerswerk voor de samenleving te onderstrepen heb ik voor de bewoners van verzorgingshuis het Zonnehuis in Zwolle pannenkoeken gebakken. Het Zonnehuis had een fantastische ochtend georganiseerd voor de bewoners van het complex en hun familie, kennissen, personeel en buurtbewoners. En natuurlijk voor alle vrijwilligers die in het Zonnehuis actief zijn. Ook Alice Makkinga (provinciale statenlid CDA) en Jannes Bouma (statenlid PvdA, zie foto) waren van de partij. De advertentie vooraf in lokale kranten had wonderen gedaan; het liep storm! De pannenkoeken werden steeds beter: ronder, bruiner en lekkerder. Maar dankzij het overheerlijke recept van de Zwolse topkok Jonnie Boer en bijbehorende professionele kleding kon er ook niet heel veel misgaan...
We merken er nog niet zo veel van, maar over een paar weken zijn er verkiezingen. Van 13 tot en met 25 november kiezen we in alle 26 waterschappen in Nederland een nieuw bestuur. Eén van de grote vragen is hoeveel mensen dit keer de moeite zullen nemen om het stembriefje in te vullen. Bij de vorige verkiezingen was de opkomst met 23% nog lager dan bij de Europese verkiezingen.
Ik heb het waterschap altijd een fascinerende overheid gevonden. Onze poldertraditie vindt zijn oorsprong in de vroege Middeleeuwen, toen grondeigenaren met elkaar overlegden over maatregelen om droge voeten te houden. En over hoe deze maatregelen te betalen.
Dit principe bestaat eigenlijk nog steeds. Wie belang heeft bij de taken van het waterschap, betaalt belasting en mag meebeslissen in het bestuur. Vandaag de dag bezetten de ingezetenen (burgers) van het waterschapsgebied ongeveer driekwart van de bestuurszetels. Daarnaast hebben bedrijven, boeren en beheerders van bos- en natuurterreinen eigen zetels in het bestuur. Bijzonder is ook dat de grenzen van de waterschappen zijn gebaseerd op stroomgebieden.
Voor het eerst doen er politieke partijen mee met de verkiezingen. Zij concurreren met visverenigingen, milieuorganisaties en bewonersclubs om de gunst van de kiezer. Ik zie in deze ‘politisering’ van het waterschap een kans en een risico. De kans is dat burgers zich door de campagnes en debatten daadwerkelijk iets meer betrokken gaan voelen bij het waterschap en bij thema’s zoals veiligheid tegen overstroming, waterkwaliteit en waterschapsheffingen. Al te hoge verwachtingen hoeven we hier niet van te hebben. Over het waterbeheer bestaan nu eenmaal weinig grote verschillen van politiek inzicht. Bovendien zijn en blijven de marges waarbinnen waterschappen zelf bestuurlijke keuzes kunnen maken beperkt.
Het risico is dat het politieke stempel op het waterschapsbestuur aanleiding wordt om het bestaansrecht van het waterschap (weer) ter discussie te stellen. Vooral linkse politieke partijen hebben hier een handje van. Dit is naar mijn mening het laatste waar we op zitten te wachten. Waterschappen doen hun werk goed, beschikken over specialistische kennis, zorgen voor continuïteit en zijn geworteld in het gebied. Niet voor niets wordt er in het buitenland met bewondering en zelfs jaloezie naar ons waterschapsbestel gekeken. Een overtuigend alternatief is er ook niet. Laten we onze aandacht dus vooral richten op de inhoud. Hoe moeten we anticiperen op de zeespiegelstijging, bodemdaling en tijdelijke watertekorten? En tegen welke prijs? Ik hoop oprecht dat veel burgers de komende weken hun stem zullen laten horen.
(Weblog Trouw.nl/politiek, 22 oktober)
De Franse president Nicolas Sarkozy lijkt zich als tijdelijk voorzitter van de Europese Unie als een vis in het water te voelen. Hij heeft een ambitieuze Europese agenda, bemiddelde actief in het conflict in Georgië en bracht meer eenheid in de aanpak van de financiële crisis door de Europese lidstaten.
Deze week baarde Sarkozy opzien door te pleiten voor bescherming van Europese bedrijven tegen overnames door grote staatsfondsen uit bijvoorbeeld China of het Midden-Oosten. Ook wil de Franse president de Europese auto-industrie steunen, nu de drie grootste Amerikaanse autofabrikanten van de Amerikaanse regering 25 miljard dollar mogen lenen tegen gunstige voorwaarden. De reacties waren over het algemeen negatief. “Dit riekt naar Frans protectionisme”, las ik vanmorgen in een ochtendblad.
In Frankrijk bestaat een lange traditie rond ‘le patriotisme économique’. Tijdens mijn werkbezoek aan Parijs vorige week heb ik met verschillende parlementariërs over dit thema gesproken. De overtuiging dat de vrije concurrentie niet op alle gebieden de beste oplossing is, is in het land diepgeworteld. Als het gaat om zaken als defensie, energie, gezondheid en luchtvaart vinden de Fransen al snel dat er ‘strategische belangen’ in het spel zij die bescherming door de nationale overheid verdienen. Ook zijn ze niet vies van bescherming van de eigen industrie en werkgelegenheid tegen “oneerlijke concurrentie” uit het buitenland.
Het dubbele van deze politiek is dat Frankrijk haar eigen staatsbedrijven wel toestaat om buitenlandse markten te veroveren, terwijl het buitenlandse bedrijven praktisch onmogelijk wordt gemaakt om toe te treden tot de Franse markt. Maar helemaal onzinnig vind ik de redenering van de Fransen toch niet. Er kunnen voor de overheid goede redenen zijn om bedrijven – of zelfs een hele sector – tijdelijk te steunen. De majeure ingreep in de financiële sector illustreert dit. Maar het is bijvoorbeeld ook goed geweest dat we in Nederland de afgelopen jaren onze weer opgebloeide scheepsbouw met een subsidieregeling door een moeilijke tijd heen hebben geholpen. Het helpt zeker niet altijd om het braafste jongetje van de Europese of mondiale klas te willen zijn.
Zeker, bedrijven moeten financieel gezond zijn en zonder overheidssteun kunnen overleven. Maar een beetje patriottisme op z’n tijd kan geen kwaad.
(Weblog Trouw.nl/politiek, 21 oktober)
Eén van de leukste dingen van het Kamerlidmaatschap is dat werkbezoeken je op veel plaatsen brengen en dat je veel inspirerende mensen ontmoet. Zo was ik gisteren te gast bij de fruitkwekerij van Peter Vereecken in Dronten. Het plaatselijke CDA had op zijn bedrijf een thema-avond belegd over de sterke toename van het aantal jonggehandicapten met een Wajong-uitkering. Circa één op de twintig jongeren krijgt momenteel het etiket “volledig arbeidsongeschikt” opgeplakt. Van degenen met een Wajong-uitkering werkt nog geen kwart. Terwijl veel jongeren met een handicap of aandoening juist veel dingen wél kunnen. Het is maar wat je wilt zien, de beperking of de mogelijkheden.
Peter Vereecken is zo’n werkgever die in jonggehandicapten mensen met mogelijkheden ziet. Van de negentien personeelsleden die hij vast in dienst heeft, komen er twee uit de Wajong. Daarnaast loopt er een nieuwe Wajonger voor een proefperiode mee binnen het bedrijf. Vereecken vertelde enthousiast over zijn ervaring met deze werknemers en roemde hun inzet en motivatie. Ook over de voorzieningen voor werkgevers – zoals het vergoeden van begeleiding op de werkvloer en van loondoorbetaling bij ziekte – was hij te spreken. Alleen het administratieve gedoe mag wel wat minder.
In Den Haag zullen we de komende maanden volop debatteren over de toename van het aantal Wajongers en hun beperkte arbeidsdeelname. Het uitgangspunt moet zijn dat we de talenten en mogelijkheden van jonggehandicapten zien en hen ondersteunen bij het zo zelfstandig mogelijk functioneren. Thuis en op de werkvloer. Het is onacceptabel dat we deze groep jongeren op grote schaal afschrijven voor de arbeidsmarkt en aan de rand van de samenleving parkeren. Ook moet werk voor Wajongers meer gaan lonen. Het komt zelfs voor dat jongeren er financieel op achteruit gaan als zij werk aanvaarden.
Minstens zo belangrijk is de vraag hoe we meer werkgevers over de streep trekken om Wajongers in dienst te nemen. Daarbij moeten we denk ik uitgaan van de goede wil van veel ondernemers. Onlangs hebben CNV-jongeren, het UWV en de re-integratiebranche het prachtige initiatief ‘G-krachten’ gelanceerd (zie www.g-krachten.nl), om werkgevers en Wajongers bij elkaar te brengen. Ik reken er op dat er veel werkgevers de komende tijd het voorbeeld van Peter Vereecken zullen volgen.
(Weblog Trouw.nl/politiek, 20 oktober)
Niet Gerd Leers, maar Ahmed Aboutaleb wordt de nieuwe burgemeester in Rotterdam. Dit bericht bereikte mij vorige week via de mail, terwijl ik in Parijs was om het arbeidsmarktbeleid, de sociale zekerheid en de immigratiepolitiek in Frankrijk te bestuderen. Hierover in latere weblogs meer. Eerst even het nieuws over de aanstaande benoeming van de zoveelste PvdA’er als burgemeester van een grote stad.
Als woordvoerder arbeidsmarktbeleid heb ik staatssecretaris Aboutaleb leren kennen als een betrokken bestuurder, die wist waarover hij sprak en bereid was te luisteren naar de Kamer. Ik vond hem aanvankelijk sterk in de debatten, gericht op de inhoud en met een scherp oog voor de rol van gemeenten. Ook zijn benadering van uitkeringsgerechtigden – hard voor wie niet wil, sociaal voor wie niet kan – sprak mij aan. Zijn grote ‘werken’, zoals het wetsvoorstel voor de werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar en het participatiebudget voor gemeenten, kwamen echter moeizaam van de grond. Ook vond ik hem niet overtuigen in zijn reactie op onze kritiek op de besteding van de re-integratiemiljarden.
Dat Aboutaleb nu naar Rotterdam gaat, valt te betreuren. Niettemin heb ik hem persoonlijk succes gewenst met deze klus. Want Rotterdam staat voor een enorme opgave op het gebied van veiligheid, leefbaarheid en integratie. Wellicht kan Aboutaleb juist met zijn afkomst en ervaring de bruggenbouwer worden die Rotterdam nodig heeft. Daar zal hij in de eerste plaats de gemeenteraad van moeten overtuigen. Dat de PVV zijn benoeming volgende week in een spoeddebat in de Kamer wil blokkeren, is daarom misplaatst.
Voor het CDA is het verlies van de politieke slag om Rotterdam zonder meer gevoelig. Geen enkele burgemeester meer in één van de vier grote steden; slechts enkele in de middelgrote steden. Commentaren dat het CDA geen “bestuurlijk talent” in de aanbieding had, vind ik tamelijk onzinnig. Met Gerd Leers hadden we zelfs een uitstekende kandidaat, die zijn ervaring als burgemeester van Maastricht én als fractiespecialist in de Kamer op het terrein van havens en infrastructuur in de strijd kon gooien. Als we de peilingen van het AD en Maurice de Hond mogen geloven, gooide Leers bovendien bij de bevolking zeer hoge ogen. In de gemeenteraad van Rotterdam is het CDA met drie van de 45 zetels echter niet in staat om in de lobby een rol van betekenis te spelen.
En hier ligt de werkelijke opgave voor onze partij: het heroveren van een goede positie in de grote steden. We zullen zowel lokaal als landelijk moeten bewijzen dat de problemen van mensen in de grote steden ook óns een zorg zijn. Alle fractieleden hebben inmiddels in hun regio een stadswijk geadopteerd; zelf ben ik actief in de wijk Holtenbroek in Zwolle en in Wijk 3 in Deventer. Veel belangrijker is dat dit kabinet resultaat boekt met het verbeteren van onder meer de leefbaarheid en de bereikbaarheid van de steden. Vertrouwen moet je verdienen, ook in de stad.
Op uitnodiging van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken verblijf ik in het herfstreces vier dagen in Parijs, om studie te maken van het arbeidsmarktbeleid, de sociale zekerheid en het immigratiebeleid in Frankrijk. Zondag ben ik met de Thalys van Amsterdam naar Parijs gereisd, met een flinke omweg vanwege de treinbotsing van afgelopen zaterdag bij Gouda. Vanmorgen werd ik zeer gastvrij ontvangen op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar werd het programma voor de week toegelicht en de agenda van het Franse voorzitterschap van de Europese Unie uitgelegd. Daarna volgden twee gesprekken over het Franse immigratie- en integratiebeleid met een adviseur van het ministerie van Immigratie en een (kritische) onderzoeker van het IFRI. Het laatste gesprek van de dag ging over het thema globalisering in relatie tot het behoud van werkgelegenheid. President Sarkozy is bezig het huidige ministerie van Buitenlandse Zaken te hervormen tot een ministerie voor Globalisering. Aan het eind van de middag was er ook nog even tijd om een wandeling naar de Eiffeltoren te maken, die ook een aardig Europees tintje heeft gekregen (zie de foto).
De komende dagen volgen nog vele gesprekken en werkbezoeken, onder meer met volksvertegenwoordigers van het UMP en medewerkers van de 'kabinetten' van president Sarkozy, de minister van Sociale Zaken Bertrand en een aantal staatssecretarissen. Thema's zijn onder meer immigratie en integratie, de sociaal-economische hervormingen van president Sarkozy en het beleid voor mensen met een arbeidshandicap. Uiteraard is er op deze pagina binnenkort een degelijk verslag te vinden van het hele studieverblijf!
In New York staat de beurs in brand. Een aantal zakenbanken is over de kop gegaan als gevolg van te makkelijk verstrekte leningen. De Amerikaanse politiek bezint zich nu op een reddingsplan van 700 miljard dollar (!!!). Wellicht zit er niets anders op. Maar het is toch wel cynisch dat de huidige en toekomstige belastingbetalers in de VS moeten opdraaien voor de hebzucht van een aantal bankiers en financiële instellingen... De schokgolven planten zich nu als een soort 'tsunami' voort richting andere werelddelen. Ook in West-Europa en Nederland is toenemende onrust op de financiële markten merkbaar. Gelukkig staat Nederland er economisch relatief goed voor en lijkt de controle op financiële instellingen goed op orde. Maar de problemen in Amerika zullen ongetwijfeld invloed hebben op de situatie en de ontwikkelingen hier.
In Raalte heb ik afgelopen week op een heel andere beursvloer gestaan. Hier gingen de koersen alleen maar omhoog! Ruim honderd bedrijven en maatschappelijke organisaties traden met elkaar in contact om te zien wat zij voor elkaar konden betekenen. In totaal werden meer dan 130 'matches' gemaakt. Ook ik heb als burger/Kamerlid mijn diensten in de aanbieding gedaan. Dit heeft onder meer geleid tot een concrete deal met het steunpunt Minima (nu onderdeel van Humanitas) en met MEE IJsseloevers (zie foto, bron: Hilde Klaster). Met het steunpunt Minima ga ik huishoudens bezoeken die van een laag inkomen moeten rondkomen, en hen helpen formulieren in te vullen en voorzieningen aan te vragen. Ik kan hier mijn kennis over sociale wet- en regelgeving inbrengen en wellicht concreet iets voor deze mensen betekenen. Tegelijkertijd hoop ik ideeën op te doen voor mijn werk in de Kamer. We moeten echt kappen in het woud van formulieren en bureaucratie, ook als het gaat om voorzieningen voor minima.
Bij MEE ga ik in gesprek met begeleiders van jonggehandicapten, om te bezien hoe er meer stage- en werkplekken voor deze jongeren kunnen komen. Ook in onze regio blijkt het moeilijk te zijn om werkgevers over te halen om gehandicapten in dienst te nemen. In het gesprek hopen we concrete ideeën uit te wisselen om hierin verandering te brengen. Deze ideeën kan ik dan ook weer betrekken in het Kamerdebat over de wet Wajong, die in het najaar plaatsvindt.
Prinsjesdag was gisteren weer een feestelijke en zonnige dag, met een tamelijk zakelijke troonrede, mooie hoedjes en veel borrels. Dit jaar was wethouder Roger de Groot uit Raalte mijn gast in de Ridderzaal. Vooral het voornemen van de regering om meer aandacht te besteden aan preventief jeugdbeleid sprak hem aan.
Vandaag volgden de Algemene Politieke Beschouwingen, waar de coalitiepartijen stevig botsten met de oppositie. On ze fractievoorzitter Pieter van Geel stond er goed en prees het voorstel van het kabinet om werken en ondernemen financieel meer lonend te maken. Het is een prestatie van formaat dat komend jaar voor veruit de meeste burgers de loopkracht op peil blijft of zelfs vooruit gaat, terwijl de economie inzakt en de inflatie oploopt tot 3,25%. De tegenbegroting van de VVD deed werkelijk pijn aan de ogen; nog verdere lastenverlichting op kosten van de minima, van ouders met kinderen en van de mensen in ontwikkelingslanden.
Op het terrein van sociale zaken zit er voor volgend jaar veel in het vat, zoals premies om ouderen aan de slag te helpen, een werkleerplicht voor jongeren tot 27 jaar en de hervorming van de Wajong. We rekenen er op dat het kabinet in het najaar goede afspraken maakt met werkgevers en vakbonden over loonmatiging, scholing en een hogere arbeidsparticipatie voor kwetsbare groepen. Een samenhangend sociaal akkoord helpt het land zeker verder.
De afgelopen dagen was de vaste Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer op werkbezoek in Denemarken. Onder leiding van commissievoorzitter Jan de Wit (SP) heb ik samen met collega’s Mei Li Vos (PvdA), Roos Vermeij (PvdA), Cynthia Ortega (CU) en Stef Blok (VVD) in twee dagen tijd een groot aantal organisaties bezocht en vele gesprekken gevoerd. De aandacht ging vooral uit naar het Deense model van sociale zekerheid, dat wel wordt aangeduid met de term ‘flexicurity’. De Denen combineren een soepel ontslagrecht (flexibiliteit) met veel aandacht voor scholing, re-integratie en inkomensbescherming bij werkloosheid (zekerheid). Daarnaast hebben we gekeken naar het beleid voor mensen met een arbeidshandicap.
De vraag is wat Nedeland kan leren van de Deense ervaringen. De afgelopen jaren is er veel gediscussieerd over de veronderstelde zegeningen en nadelen van het Deense model. Internationale organisaties zoals de OECD en de Europese Commissie pleiten voor slimme combinaties van flexibiliteit en zekerheid en wijzen daarbij steevast op de huidige starheid van het Nederlandse ontslagstelsel. Interessant is dat de SER in 2005 nog onder verwijzing naar het Deense model adviseerde: “Een eventuele verdergaande versoepeling van de ontslagpraktijk zou volgens de raad hand in hand moeten gaan met adequate voorzieningen voor de arbeidsmarktpositie van met ontslag bedreigde werknemers of ontslagen personen. Het gaat hierbij om een beleid gericht op activering en re-integratie, sociale plannen en afvloeiingsregelingen waarin de verbetering van de arbeidsmarktpositie van met ontslag bedreigde werknemers centraal staat. Ook gaat het om door werkgevers beschikbaar gestelde van-werk-naar-werk-arrangementen.”
De resultaten van het Deense model zijn op het eerste gezicht niet veel beter dan die van de aanpak in ons land. Zowel Nederland kennen een gunstige economische ontwikkeling, een hoge mate van arbeidsparticipatie en een (zeer) lage werkloosheid. Wel ligt het aantal gewerkte uren in Denemarken hoger, is de arbeidsdeelname van ouderen onder 60 jaar veel hoger (81%!) en hebben veel vrouwen een volledige baan. Ook de dilemma's waarmee de landen worstelen vertonen een grote mate van overeenstemming. Een onafhankelijke commissie onderzoekt momenteel hoe de arbeidsparticipatie kan worden verhoogd om zo een bijdrage te leveren aan de houdbaarheid van de overheidsfinancien. In ons land is onlangs een dergelijk advies opgesteld door de commissie-Bakker.
Maar er zijn daarnaast ook wel degelijk een aantal interessante verschillen in het systeem en de aanpak. Zo is er in Denemarken - naast de bijstand - sprake van een vrijwillige verzekering voor werkloosheid. Werknemers kunnen zich per beroepsgroep aansluiten bij een werkloosheidsfonds. Betaling van de premie geeft recht op maximaal vier jaar uitkering tegen 90% van het laatstverdiende loon. Dit lijkt ruimhartig, maar de uitkering is gebonden aan een maximum van zo'n 1800 euro per maand. Van werklozen worden bovendien vanaf negen maanden uitkering stevige tegenprestaties gevraagd. De bereidheid om deel te nemen aan deze verzekering lijkt onder werknemers de laatste jaren af te nemen.
Een tweede verschil is dat er in Denemarken meer aandacht is voor scholing van werknemers en het op peil houden van kennis en vaardigheden. Werknemers hebben een wettelijk recht op een aantal weken scholing en mogen in beginsel zelf bepalen welke opleiding of training zij volgen. Elk jaar volgt ruim 20% van de Deense werknemers tussen de 25 en 65 jaar een opleiding, het hoogste percentage in de EU. Voor het activeren van werklozen trekken beide landen relatief veel geld uit, waarbij in Denemarken het accent ligt op scholing en in Nederland nog veel wordt uitgegeven aan gesubsidieerd werk. In beide landen valt overigens weinig te zeggen over de effectiviteit van de besteding van dit geld.
Een derde verschil is dat het voor werkgevers eenvoudig is om werknemers te ontslaan, en voor werknemers om van baan te veranderen zonder rechten te verspelen. De overheid bemoeit zich nauwelijks met de arbeidsverhoudingen. Werkgevers en werknemers maken in CAO's afspraken over lonen, arbeidstijden en -omstandigheden en ook over de beëindiging van het arbeidscontract. Ongeveer 30% van de werkenden verandert jaarlijks van baan. Niettemin is het gevoel van baanzekerheid onder Deense werknemers hoger dan in Nederland. Het aandeel langdurig werklozen is substantieel (23 tegen 40%). Deze lage drempel om personeel aan te nemen en te ontslaan betekent echter niet automatisch dat groepen zoals arbeidsgehandicapten snel aan de slag komen. Ook in Denemarken ervaren mensen met een beperking aarzelingen en koudwatervrees bij werkgevers, hoewel de financiële risico's voor werkgevers beperkter zijn dan in de Nederlandse situatie.
Tot welke conclusies leidt dit? Er is geen enkele aanleiding om het Deense model te kopiëren. Nederland doet het in termen van economische groei, arbeidsdeelname en werkloosheid zeker niet slechter dan Denemarken. Ik ben wel erg gecharmeerd van de nadruk die de Denen leggen op 'voorzorg' in plaats van 'nazorg', ofwel het investeren in scholing en het op peil houden van kennis en vaardigheden. Overgangen van werk naar werk lopen soepel en werkloosheid is voor de meeste werknemers daadwerkelijk "een overgang tussen twee banen". Ook in Nederland zullen we veel meer moeten inzetten op scholing en werkhervatting, en niet op eindeloze ontslagprocedures of het betalen van vergoedingen achteraf. In dat kader is het interessant dat werkgevers en werknemers dezer dagen overeenstemming hebben bereikt over het beperken van hoge ontslagvergoedingen.
Het lijkt mij echter niet noodzakelijk, noch wenselijk om de Deense ‘hire-and-fire’-praktijk over te nemen. Arbeidsverhoudingen die zijn gebaseerd op vertrouwen vragen om fatsoenlijke ontslagregels en bescherming van werknemers tegen de willekeur van werkgevers. Een soepeler ontslagrecht blijkt bovendien geen wondermiddel te zijn. Er zijn uiteindelijk veel factoren die in onderlinge samenhang de werking en de dynamiek van de arbeidsmarkt bepalen. Sociale partners en zeker ook de politiek zouden daarom met wat meer relativering naar het onderwerp moeten kijken.
Daar staat tegenover dat we de samenleving ook niet verder helpen als we één van die factoren tot taboe verklaren. Ook op basis van dit werkbezoek kom ik weer tot de conclusie dat het kabinet en de Kamer het advies van de commissie-Bakker over de 'werkverzekering' echt voortvarend moeten oppakken. Kort samengevat adviseerde de commissie om zowel werkgevers als werknemers te stimuleren om meer in te zetten op scholing en bemiddeling van werk-naar-werk bij ontslag. Het advies borduurt in feite voort op het advies van de SER uit 2005, waaraan ik hiervoor refereerde. Voor een dergelijke strategie zouden we – net als in Denemarken – toch ook bij de vakbonden de handen op elkaar moeten krijgen. Laten we er een mooi, werkend en toekomstbestendig ‘Nederlands model’ van maken.